Georges Perec: de speelste schrijver van de Franse letteren
De Franse schrijver Georges Perec (1936-1982) krijgt dit jaar de 'Nobele Prijs' van Passa Porta, een eer voor wie de Nobelprijs had moeten krijgen. Zijn oeuvre is speels, avontuurlijk en uitdagend. Rokus Hofstede, die verschillende boeken van Perec vertaalde, leert je de spelregels. Voor Suriname, waar literatuur en cultuur steeds meer openstaan voor internationale invloeden, biedt Perec een unieke kans om de grenzen van het vertellen te verkennen.
“Schrijven is een spel dat je met z’n tweeën speelt”, was het credo van Perec. Maar wat zijn bij hem de spelregels? De Nederlandse literatuurwetenschapster Manet van Montfrans schreef met Georges Perec, een gebruiksaanwijzing een voorbeeldige handleiding. Van Montfrans beschrijft hoe Perecs leven werd getekend door de “Histoire avec sa grande Hache” (de “Historie met haar Onthoofdletter”). In zijn werk vormen de thema’s verlies en afwezigheid een rode draad, maar zonder dat hij ooit zwelgt of zelfgenoegzaam klinkt. Zijn biografische tragiek geeft hij versleuteld weer, via hints voor de goede verstaander en getallensymboliek. Maar je kunt hem ook gewoon lezen.
Waarom beginnen met Tips en wenken…?
Stel u leest op goed geluk een willekeurige titel van Georges Perec een Franse schrijver die u van horen zeggen hebt dan is het van tweeën één ofwel u vindt hem apart ofwel u vindt hem allerprachtigst laten we zeggen om het eenvoudig te houden want je moet het altijd eenvoudig houden dat u hem apart vindt herlees hem dan onmiddellijk want natuurlijk is de helft van wat u hebt gelezen u ontgaan en door scha en schande wijs geworden hebt u geleerd dat de aanhouder wint vindt u hem allerprachtigst lees dan bij de eerste de beste gelegenheid een ander boek van Georges Perec want hij is de speelste schrijver van de Franse letteren en hij heeft geen twee boeken geschreven die op elkaar lijken. Bovendien is het gros van zijn werk vernederlandst in de niet genoeg te prijzen vertalingen van Edu Borger, Guido van de Wiel, Kiki Coumans, Rokus Hofstede en Jan H. Mysjkin. Leest u vervolgens op goed geluk een willekeurige titel van Michel Houellebecq, Marie Darrieussecq of Vincent Ravalec, dan bent u al haast een kenner.
Het leven een gebruiksaanwijzing: een monument voor de opsomkunst
Perecs magnum opus is La vie mode d’emploi (1978), door Edu Borger in het Nederlands vertaald als Het leven een gebruiksaanwijzing. Die uit zijn krachten gegroeide boedelbeschrijving van het pand Rue Simon-Crubellier 11 te Parijs, een kamer per hoofdstuk, is een rijkgeschakeerd netwerk van verhalen. Perec construeerde het op basis van zogeheten contraintes, vaste regels om in elk hoofdstuk tweeënveertig uiteenlopende items aan bod te laten komen. Het bizarre is dat die vormdwang helemaal niet in strijd blijkt met de vrijheid van de vertelkunst.
Italo Calvino omschreef in de jaren 80 Het leven een gebruiksaanwijzing als de “laatste grote gebeurtenis in de geschiedenis van de roman”, een encyclopedische ‘hyperroman’ met het leesgenot van een grote romancyclus à la Balzac. Perec was tuk op terminologische precisie, aan vaagheid had hij een broertje dood. Volgens hem zijn hedendaagse schrijvers de kunst van het opsommen vergeten. Het boek is voor die kunst een monumentaal eerherstel, inclusief kelderinventarissen, gevonden voorwerpen, ameublementen, menukaarten, woordenboeklemma’s, dieettabellen en concertprogramma’s. Vijf pagina’s gewijd aan de catalogus van een doe-het-zelfbedrijf krijgen de allure van een prozagedicht, met als terugkerend refrein de regel: “Eén jaar volledige garantie.”
Ruimten rondom: van een blad papier tot de kosmos
In 1997 vond ik op tafel een briefje van mijn huisgenoot: in mijn afwezigheid had hij telefoon gekregen van De Arbeiderspers, met de vraag of ik tijd en zin had om “Asbestos pas” te vertalen. Het duurde even voor mijn kwartje viel. Espèces d’espaces! Het is Perecs ‘dagboek van een ruimtegebruiker’ uit 1974, verplicht leesvoer voor alle stedenbouwkundigen, architecten en kunstenaars in spe. In 1998 verscheen Ruimten rondom, in 2023 verscheen een vermeerderde uitgave, inclusief kladteksten. Het hoofdstukje ‘Trappen’ luidt als volgt: “We denken niet genoeg aan trappen. / Niets was mooier dan het trappenhuis in de huizen van weleer. Niets is lelijker, kouder, vijandiger, benepener in de flatgebouwen van tegenwoordig. / We zouden moeten leren meer in het trappenhuis te leven. Maar hoe?”
Een oeuvre met een rookwalm
Er is een foto van Georges Perec waarop hij droevig glimlachend in de camera kijkt, zijn hoofd steunend op zijn rechterhand, een dunne cigarillo geklemd tussen middel- en ringvinger. Die excentrieke peukpositie, die ook bij die andere stugge roker Michel Houellebecq valt te zien, wordt in hoofdstuk 52 van Het leven een gebruiksaanwijzing toegeschreven aan Grégoire Simpson, zelf weer het alter ego van de naamloze antiheld uit Een man die slaapt – een vereenzaamde student die elke ochtend op hetzelfde moment, op dezelfde plek, het zelfklevende strookje papier losmaakt dat zijn dagelijkse pakje Gauloises afsluit en die ernaar streeft elke drie kwartier een sigaret op te steken. Uit veel van Perecs boeken stijgt tabakswalm op. Vrienden herinnerden zich in een in memoriam hoe hij besmuikt bekende zijn havana’s “zo min mogelijk” te inhaleren. Hij stierf in 1982, op 46-jarige leeftijd, aan longkanker.
Ellis Island: een limbo tussen twee werelden
Het is haast een salontafelboek: Ellis Island, de neerslag van de gelijknamige film die Perec maakte met Robert Bober, is rijkelijk geïllustreerd met oude foto’s van ‘Traneneiland’, het eilandje voor de kust van Manhattan dat de toegangspoort vormde voor Europese migranten naar de VS tussen 1892 en 1954. Zij het dat deze “verhalen over ontheemding en hoop” toch een zekere onrust wekken in de salon. Al was het maar vanwege de oude ansichtkaart van het Vrijheidsbeeld die het omslag siert. In Kafka’s roman Amerika zag diens held Karl Rossmann de opgeheven arm van de vrijheidsgodin als een zwaard. Perec schrijft: “emigrant zijn, misschien was het wel precies dát: een zwaard zien waar / de beeldhouwer naar eer en geweten meende een fakkel uit te beelden / en dan niet echt ongelijk hebben.”
De interviews met migranten, waaruit een deel van het boek bestaat, vormen in Perecs ogen een “potentiële autobiografie”. De hoofdmoot van de tekst bestaat uit een poëtisch essay: licht en lucide, met een ironie die de somberheid in evenwicht houdt. In geen enkel ander geschrift heeft Perec zich zo expliciet verhouden tot zijn Joodse afkomst (‘… een stilte, een afwezigheid, een vraag, / een in vraag gesteld worden, een aarzeling, een onbehagen: / een onbehaaglijke zekerheid, / waarachter zich een andere zekerheid aftekent / die abstract, zwaar en onverdraaglijk is: / de zekerheid dat ik gelabeld ben als Jood, / als Jood en daardoor als slachtoffer, / en dat ik het leven uitsluitend aan het toeval en aan ballingschap dank’).
‘t Manco: een roman zonder ‘e’
Perec noemde zich homme de lettres, letterkundige. Nergens komt zijn kundigheid in het hanteren van letters zozeer tot uiting als in La disparition (1969), zijn ‘lipogrammatische’ roman, waarin de meest voorkomende letter in het Frans, de letter ‘e’, ontbreekt. ‘t Manco (2009) luidt de titel van de impressionante Nederlandse vertaling van Guido van de Wiel. Een passende titel, inclusief noodgedwongen apostrof, want het ontbreken van de letter ‘e’ is in het Nederlands haast een nog groter manco dan in het Frans. De lezer weze gewaarschuwd: de apostrofjes vallen in de Nederlandse versie als regendruppels over de pagina’s. Maar voorwaar, ‘t nattig waagstuk is, qua mindfuck, ‘n onnavolgbaar avontuur. Van de Wiel herhaalde bovendien onlangs het kunststuk met zijn vertaling van Les revenentes oftewel De wedergekeerden (2022), een tekst met heel veel e’s – en met heel veel seks.
Tot slot: Een man die slaapt, geschreven in de jij-vorm
In 1991 werkte jij, Rokus Hofstede, in Brussel aan je eerste romanvertaling, het debuut van de veelbelovende jonge Brusselaar Philippe Blasband, De cendres et de fumées. Via via had je tijdelijk verblijf gevonden in Horta’s Frisonhuis in de Lebeaustraat, vlak bij de Grote Zavel: een bijkeuken op een tussenverdieping, uitziend op blinde muren. Overdag vertaalde je, de avonden bracht je door in de Plattesteen, een brasserie in de benedenstad bevolkt door een gemengd publiek van gepensioneerden en getatoeëerden, ‘s nachts las je Het verdriet van België. Volgens Blasband had hij de structuur van zijn roman – de ik-verteller die aan het einde van zijn boek begint te schrijven aan de tekst die de lezer in handen heeft – bij Claus gevonden. Ook kreeg je van hem een andere leestip: Un homme qui dort van Georges Perec. In de Brusselse Bortiergalerij, toen nog een boekenparadijs, duikelde je een pocketeditie op.
Je vond Claus knap, maar Perec was een openbaring. Van hem leerde je een elementaire waarheid, namelijk dat literaire zeggingskracht niet te maken heeft met wat er wordt verteld, maar dat het hoe allesbepalend is. Je herinnert je de beklemming van die jij-vorm, dat persoonlijke voornaamwoord waaraan niet te ontsnappen viel. Je herinnert je het gevoel, al lezend, dat Un homme qui dort – het visioen van een stilgevallen leven – speciaal voor jou was geschreven.
“Nee. Je bent niet meer de naamloze gebieder van de wereld, degene op wie de geschiedenis geen vat had, degene die de regen niet voelde vallen, die de nacht niet zag naderen. Je bent niet meer de man die ongenaakbaar is, doorschijnend, transparant. Je bent bang, je wacht. Je wacht, op de Place Clichy, tot het ophoudt met regenen.”
Een paar jaar later kreeg je de opdracht een vertaling te maken van Un homme qui dort – een nieuwe vertaling, de oude was een lor. Je dacht terug aan je doorwaakte nachten in het Hortahuis. Je prees jezelf gelukkig.