De Franse regisseur Emmanuel Marre (46) maakt met Notre salut een bekroonde film over zijn overgrootvader Henri, die tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde met het Vichy-regime. De film won de prijs voor het beste scenario op het filmfestival van Cannes en zorgt in Frankrijk voor een opvallende discussie over de collaboratiegeschiedenis. Marre stelt daarbij een confronterende vraag: zijn fascisten altijd herkenbaar als fascisten?
Een antiheld als spiegel voor de kijker
Henri Marre is geen karikaturale fascist. De ambtenaar oogt vriendelijk, minzaam en voorkomend. Hij is een familieman die voor het ministerie van Arbeid in Limoges werklozen en buitenlanders verplicht tewerkstelt. Op verzoek van de Duitsers levert hij brandstof en vrachtwagens om Joden te deporteren. Zijn achterkleinzoon portretteert hem als een opportunist, gedreven door technocratische overtuigingen en het idee dat de democratie niet langer efficiënt was.
“Een totalitair systeem kan niet zelf iedere burger een pistool tegen het hoofd houden. Het steunt op mensen die er belang bij hebben, die erin geloven, of die zichzelf verblinden. Het steunt op mensen zoals mijn overgrootvader Henri”, zegt Marre.
Volgens de regisseur is die herkenbaarheid essentieel. “Henri’s innemende karakter verkleint de emotionele afstand tot de toeschouwer. Die identificeert zich makkelijker met hem en beseft hoe snel je in de val van de collaboratie kunt trappen. In zekere zin zit er een collaborateur in elk van ons.”
De alledaagsheid van het kwaad
Marre ziet zijn overgrootvader niet als een passief radertje in een systeem. “Hij deed meer dan gehoorzamen. Hij verpersoonlijkt de alledaagsheid van het kwaad.” De film toont hoe Henri Marre stap voor stap de ladder van politieke en morele corruptie beklimt, bijna zonder het zelf te beseffen. Uiteindelijk wordt hij militant bij een pro-nazistische beweging.
“Berekenende mensen schatten de situatie dikwijls fout in, in plaats van gewoon te doen wat ze rechtvaardig vinden”, aldus Marre. “We zijn zelf verantwoordelijk voor ons gedrag.” Hij benadrukt dat de verantwoordelijkheid van zijn overgrootvader perifeer en intermediair was, onvergelijkbaar met die van kopstukken zoals vicepremier Pierre Laval of politiechef René Bousquet.
De terugkeer van het verdrongene
De film verschijnt in een golf van nieuwe Franse oorlogsfilms, waaronder La bataille de Gaulle van Antonin Baudry en Moulin van László Nemes. Volgens Marre beleeft Frankrijk daarmee “de terugkeer van het verdrongene”. De collectieve herinnering aan de collaboratie blijft na tachtig jaar springlevend.
“Aan het einde van de oorlog zaten de Fransen dankzij De Gaulle aan de tafel van de overwinnaars, al was dat niet hun plek. De Gaulle vertelde: ‘Er waren slechts weinig collaborateurs, Frankrijk bood zo goed mogelijk weerstand.’ Dat kwam heel wat families goed uit. Tegelijkertijd wisten ze heel goed dat dat niet klopte.”
Vichy-achtige mechanismen vandaag
Marre ziet parallellen tussen het Vichy-regime en de huidige politieke situatie in Frankrijk. “Tegenwoordig geldt werkloosheid niet langer als een structureel economisch probleem, maar is het de schuld van de werkzoekende. Ook wint de gedachte terrein dat niet alle Fransen even Frans zijn, dus dat sommigen minder rechten hebben.” Hij verwijst daarbij naar voorstellen van het Rassemblement National om de hoofddoek in de publieke ruimte te verbieden.
De regisseur vreest de komende presidentsverkiezingen. Zelf hoopt hij in november de Belgische nationaliteit te krijgen. “Godzijdank blijven jullie van zoiets gespaard”, zegt hij met een grimmige lach.
Wat is de kern van Notre salut?
De film is losjes gebaseerd op de briefwisseling tussen Henri Marre en zijn vrouw Paulette. Naast de collaboratiegeschiedenis verkent de film ook de relatie tussen het slijten van verlangen in een huwelijk en het verlangen naar democratie. “Zijn kiezers en de democratie niet ook een oud echtpaar, met teleurstellingen en een gevoel van verraad?” vraagt Marre zich af.
Waarom is deze film relevant voor Suriname?
De thema’s van Notre salut overstijgen de Franse context. De vraag hoe democratieën kunnen afglijden naar autoritarisme, en welke rol gewone burgers daarin spelen, is universeel. Ook in Suriname en de bredere regio blijft die vraag actueel, zeker in tijden van politieke polarisatie en economische onzekerheid.
