Het Vlaamse kunstencentrum Masereel in Kasterlee opende in de zomer van 2026 een nieuw verblijfspaviljoen voor kunstenaars, en de architectuurkritiek is niet mild. Volgens De Standaard, die het gebouw begin oktober beoordeelde, is het ontwerp weliswaar bruikbaar, maar artistiek weinig inspirerend.
Het paviljoen, ontworpen door de bureaus Frantzen et al uit Amsterdam en Define uit Brugge, biedt negen gestapelde studio's met een gedeelde keuken op de begane grond. Het felgroene, cirkelvormige gebouw vervangt de verouderde tentvormige huisjes uit de jaren 70 die verspreid over het terrein stonden. Eén oud huisje bleef bewaard als herinnering aan het verleden.
Wat is Masereel en waarom doet dit gebouw ertoe?
Masereel, vernoemd naar de graficus en schilder Frans Masereel, is een hedendaags kunstencentrum midden in de velden rond het Kempense dorp Kasterlee. Het centrum organiseert tentoonstellingen en herbergt een wisselende groep kunstenaars die in de stilte van het platteland kan werken en verblijven. Het hart van de site is het koepelvormige atelier dat architecten Lou Jansen en Rudi Schiltz eind jaren 60 ontwierpen. Dat gebouw, vol drukpersen, geldt als een klein modernistisch icoon.
De vergelijking met dat atelier maakt de opgave voor de nieuwe architecten extra zwaar. Jansen en Schiltz slaagden erin een volmaakte geometrische vorm te kneedden tot een gebouw dat uitstekend functioneert én aangenaam is om naar te kijken, zowel in het echt als op papier. De Japanse architect Hideyuki Nakayama ondervond eerder al hoe moeilijk het is om in die schaduw iets te bouwen. In 2019 breidde hij het atelier samen met het Parijse bureau List uit met een tweede, flink aangepaste cirkel. Eigenzinnig was dat resultaat wel, echt bruikbaar werd het niet, aldus de verslaggeving.
Circulair bouwen dat je niet ziet
Het nieuwe paviljoen is opgezet als pilootproject voor circulair bouwen en ontving daarvoor subsidies via de Europese Green Deal. Juist daar zit volgens De Standaard een gemiste kans. Het gebouw toont in zijn architectuur niet welke innovatieve materialen zijn gebruikt. Op wat leistenen na zitten er geen opvallende hergebruikte materialen in het ontwerp, en ook het feit dat het gebouw volledig weer uit elkaar geschroefd kan worden, een technische prestatie op zich, is nergens zichtbaar of voelbaar voor de bezoeker.
Voor een redactie die de nadruk legt op efficiënt overheidsbeleid en goede governance is dit een herkenbaar punt van kritiek: overheidsinvesteringen in duurzaamheid verdienen een zichtbare return, ook in ontwerp en uitstraling. Een pilootproject dat zijn eigen innovatie verbergt, overtuigt noch de sector noch het publiek.
Een cirkel die niets doet
De plattegronden van het paviljoen zijn volgens de criticus ronson saai: badkamers en bergingen in het midden, daaromheen de leefruimtes. Dat levert standaard studio's op. Rond de leefruimtes loopt op elke verdieping een cirkelvormig terras dat tegelijk als luifel dient, maar de cirkelvorm voegt aan de binnenruimtes zelf niets toe. Aan de rechte dragende balken en de trap die maar aan één zijde gekromd is, is af te lezen dat het gebouw liever rechthoekig was geweest.
De kritiek gaat verder dan esthetiek alleen. Het gebouw, schrijft De Standaard, blinkt uit in onverschilligheid: tegenover de andere gebouwen op de site, die het hooguit verdraagt; tegenover de omgeving, die niet meer is dan een uitzicht; en tegenover de discipline zelf. Het reduceert architectuur tot een efficiënte organisatie van functies, zonder daar iets mee te doen. Voor een centrum dat als bestaansreden heeft de grenzen van de toegepaste kunsten op te zoeken, is dat een wrang contrast.
Wie draagt de verantwoordelijkheid?
De criticus legt de verantwoordelijkheid niet enkel bij de architecten. Minstens even belangrijk is de opdrachtgever, de Vlaamse overheid, die bereid moet zijn risico's te nemen. De retorische vraag waarom de overheid haar eigen Vlaams Bouwmeester niet bij het project betrok, is veelzeggend. Goede opdrachtgeverschap betekent immers dat een overheid de kwaliteitseisen afdoende bewaakt en expertise inzet die voorhanden is.
Het ergste is volgens de recensent niet dat een overheid hier een kans mist op een interessant gebouw, maar dat het gebouw niets met de bezoeker doet. Wie op deze plek overnacht, zou juist even anders naar de wereld moeten kijken. Als kunstenaars op deze prachtige locatie inspiratie vinden, zal dat niet aan hun nieuwe verblijf liggen, zo luidt het harde oordeel.
Les voor Suriname en de regio?
Het dossier is relevant ver buiten Vlaanderen. Overheidsgebouwen en culturele instellingen zijn overal de visitekaartjes van bestuurlijke ambitie. Waar overheden investeren in cultuur en duurzaamheid, zoals in dit pilootproject rond circulair bouwen, loont het om ontwerpeisen en architectonische kwaliteit contractueel te verankeren in plaats van tevreden te zijn met functionele bruikbaarheid. Ook in Suriname, waar culturele infrastructuur en publieke bouwprojecten steeds vaker op de politieke agenda staan, is de kernvragle dezelfde: durft de opdrachtgever risico te nemen en excellentie te eisen, of kiest ze voor de veilige middelmaat?
De ervaring van interieurarchitect
