De Verenigde Staten en Europa proberen al jaren de Chinese industriële dominantie in te dammen, maar de resultaten blijven uit. Ondanks importheffingen, sancties en retoriek blijft China's exportmachine draaien op volle toeren. Sterker nog, de afhankelijkheid van het Westen lijkt eerder toe te nemen dan af te nemen.
Waarom het Westen China niet kan bijbenen
Belgische legergeneraals moesten in augustus halsoverkop op zoek naar nieuwe dienstwagens. De huidige zijn in China geassembleerd, en er kon dus geen garantie worden geboden dat ze niet bespioneerd werden. Het Nederlandse leger klopt deze week dan weer aan bij een Chinees 3D-printbedrijf om strategische reserve-onderdelen te verkrijgen, tot verbazing van velen die wijzen op een soortgelijk bedrijf in Eindhoven.
Het zijn maar twee recente voorbeelden van de hardnekkige economische afhankelijkheid van China, waarmee het Westen korte metten wil maken. Donald Trump en zijn ambtgenoot Xi Jinping ontmoeten elkaar donderdag, want de pauze in hun wederzijdse handelsoorlog loopt in november af. Een strijd die begon in 2017 dreigt opnieuw te escaleren.
Handelstarieven hebben weinig opgeleverd
Mary E. Lovely van het Peterson Institute for International Economics (PIIE) in Washington is stellig:
“De handelstarieven hebben Amerika niet ontkoppeld van China.”In zes jaar tijd kon het Witte Huis de Chinese import met 7 procent doen dalen, maar die “ontbrekende” goederen komen nu binnen uit Vietnamese of Mexicaanse fabrieken, opgericht met Chinees kapitaal of bevoorraad met Chinese onderdelen.
Op die realiteit botsen overigens ook het Belgische en Nederlandse leger. Ze bestelden niet rechtstreeks bij Chinese bedrijven, wel bij tussenschakels die in China vervaardigen. De waarde van China's wereldwijde industriële export steeg dit jaar met 25 procent.
Europa verliest terrein op elk front
Het Europese handelstekort met China loopt nu ongenadig op. Voor het eerst hebben alle 27 lidstaten een tekort op de balans. Collectief kopen Europeanen elke dag 1 miljard euro meer in China dan we daar verdienen. Zelfs Volkswagen zag zijn verkoop in China kelderen terwijl Chinese stekkerwagens verkooprecords optekenen in Europa, alle importheffingen ten spijt.
Is de Chinese industrie nog wel te stoppen?
“Ondanks alle maatregelen is er vrij weinig impact te merken op de Chinese industrie”, zegt sinoloog Jasper Roctus van de UGent en denktank Egmont. Hij noemt het “tot op zekere hoogte overmoedig” om de Chinese industrie nu nog te willen beteugelen. “De de-industrialisering van Europa of de VS is op veel vlakken al een voldongen feit en we zullen niet snel weer lage- of middeninkomenslanden worden.”
Het Westen heeft er twee uitzonderlijke eeuwen van economische dominantie op zitten: het maakte al die tijd de duurste handelswaar met de mooiste winsten en het liet anderen goedkope arbeid en grondstoffen leveren. Het Globale Zuiden klaagde die onevenwichtige handel decennialang aan.
Verwachten dat er nooit een verschuiving in die machtsbalans zou komen, zou van wereldvreemdheid getuigen. Zeker omdat China 17 procent van de wereldbevolking herbergt, de belangrijkste verwerker is van 19 van de 20 meest strategische mineralen, en tekent voor 30 procent van de wereldwijde toegevoegde industriële waarde. In 2020 had China 3,57 miljoen afgestudeerden in de Stem-domeinen (wetenschap, technologie, ingenieursstudies of wiskunde). Daartegenover staan 820.000 Amerikaanse afgestudeerden en 216.000 Duitse.
Welke sectoren moet Europa beschermen?
Wel stelt Roctus vragen bij de aanhoudende overcapaciteit van de Chinese exportindustrie. Die overproductie ontstaat op de tekentafels van provinciegouverneurs en bankdirecteurs met een Partijkaart, en minder vanuit een organisch groeiende vraag.
“De komende jaren moeten we goed afwegen welke sectoren we koste wat kost willen beschermen tegen Chinese overproductie”, zegt hij. “Kiezen we voor stekkerwagens, de farma-industrie, of andere strategische goederen? Hoe ver gaan we mee in het protectionisme dat China en de VS toch al op een hoger niveau spelen?”
De keuzes zijn verscheurend, maar volgens Roctus heeft Europa onderhandelingsmarge. “Waar de Chinese economie zou staan zonder export is een groot vraagteken, ook voor de Partij”, zegt hij. “Zij hebben ons dus ook nodig. Daarop moeten we hameren.”
De keerzijde van China's industriële succes
Peking vertroetelt de exportindustrie al sinds de jaren 80. Als prijs voor die keuze aanvaardt het zware onevenwichten in de binnenlandse economie. Kmo's of plattelandsregio's krijgen weinig kansen, de consumptie ligt laag, en de bevolking wordt eenzijdig richting bepaalde opleidingstrajecten geduwd. De westerse druk zou een kwarteeuw coherent Chinees beleid ook niet hebben kunnen uitwissen, het maakte de Partij alleen vastbeslotener. Om de fabrieksbaas te helpen, legde ze al een enorme schuldenberg aan.
In vijftien hoogtechnologische sectoren voorzag China volgens de rijkelandenclub Oeso drie tot acht keer meer staatssteun dan het gemiddelde Oeso-land tussen 2005 en 2024. Zonder die extra ademruimte zouden Chinese bedrijven 60 procent minder globaal marktaandeel hebben dan vandaag, schat de Oeso. De keerzijde? De concurrentie tussen Chinese exporteurs is moordend, de marges laag, de schuldgraad beangstigend.
Groeiende steun voor het Westen in het Globale Zuiden
En het protesterende Westen krijgt nu meer steun in het Globale Zuiden. Landen als India of Thailand zijn niet tegen interessant geprijsde Chinese hightech, wel tegen goedkopere Chinese producten die hun eigen fabrieksbazen in ademnood brengen.
Dat kan zwaarder wegen dan de grootspraak of extra verkochte sojabonen waar Trump donderdag waarschijnlijk mee zal uitpakken. Door de eigen competitiviteit te verbeteren, prioriteiten te kiezen en coalities te zoeken, kunnen andere landen de Chinese exportinvasie misschien vertragen. En lukt dat niet, dan zoeken steeds meer Europese bedrijven vandaag hun heil in een joint venture met een Chinese partner.
